"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 

DERTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR

Uit het boek Exodus 22,20-26.
Zo spreekt de Heer: Gij moet een vreemdeling niet uitbuiten of onderdrukken, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte.
Weduwen en wezen mag je evenmin uitbuiten.
Doe je dat toch en smeken zij mij om hulp, dan zal ik zeker naar hen luisteren:
ik zal in woede ontsteken en ieder van jullie doden, en dan zullen jullie eigen vrouwen weduwe worden en jullie kinderen wees.
Als je geld leent aan iemand van mijn volk die armoede lijdt, gedraag je dan niet als een geldschieter en vraag geen rente van hem.
Als je iemands mantel als onderpand neemt, moet je die voor zonsondergang aan hem teruggeven,
want hij heeft niets anders om zich mee toe te dekken. Waarmee moet hij zijn lichaam anders beschermen als hij gaat slapen? Als hij mij om hulp smeekt, zal ik naar hem luisteren, want ik ben een genadige God.

Psalmen 18(17),2-3a.3bc-4.47.51ab.
Heer, U heb ik lief, mijn sterkte zijt Gij,
mijn toevlucht, mijn burcht, mijn bevrijder.

Mijn God, de rots waar ik toevlucht vind.
Mijn schild, mijn behoud, mijn bescherming.

Wanneer ik de Heer aanroep, Hij zij geprezen,
dan doet geen vijand mij kwaad.

De Heer zij geprezen, gezegend mijn rots;
verheerlijkt zij God, mijn verlosser.

Want Gij hebt uw koning de zegen geschonken,
en genade bewezen aan zijn gezalfde.



Uit de 1e brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Tessalonica 1,5c-10.
Broeders en zusters, gij weet hoe ons optreden bij u is geweest: het was gericht op uw heil.
En gij van uw kant zijt navolgers geworden van ons en van de Heer, toen gij het woord hebt aangenomen onder allerlei beproevingen en toch met vreugde van de heilige Geest.
Gij zijt een voorbeeld geworden voor alle gelovigen in Macedonie en in Achaie.
Van Tessalonica uit heeft het woord van de Heer weerklon­ken, en niet enkel in Macedonie en Achaje; allerwe­gen is uw geloof in God bekend geworden. Wij hoeven niets meer te zeggen.
Zij vertellen zelf hoe wij bij u zijn gekomen en hoe wij door u zijn ontvangen: hoe gij u van de afgoden tot God hebt be­keerd, om de levende en waarachtige God te dienen,
en uit de hemel zijn Zoon te verwachten, die Hij uit de dood heeft opgewekt, Jezus, die ons redt van de komende toorn.

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 22,34-40.
In die tijd toen de Farizeeën vernamen dat Jezus de Sadduceeen de mond gesnoerd had, kwamen zij bijeen
en een van hen, een wetgeleerde, vroeg Hem om Hem op de proef te stellen:
'Meester, wat is het voor­naamste gebod in de Wet?'
Hij ant­woordde hem: 'Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand.
Dit is het voornaam­ste en eerste gebod.
Het tweede, daarmee gelijkwaar­dig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.
Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten.'



Bron : Petrus Canisius bijbelvertaling & vernieuwingen




Overweging bij de lezing van vandaag : H. Robertus Bellarmino
"Wat is het grootste gebod"



 
©Evangelizo.org 2001-2020