"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 
Woensdag, 25 Juli 2018
H. Jakobus, apostel - Feest



Uit de 2e brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte 4,7-15.
Broeders en zusters, wij dragen een schat in aarden potten; duidelijk blijkt dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons.
Wij worden aan alle kanten bestookt, maar raken toch niet klem; wij zien geen uitweg meer, maar wij zijn nooit ten einde raad;
wij worden opgejaagd maar niet in de steek gelaten; wij worden neergeveld maar gaan er niet aan dood.
Altijd dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee, want ook het leven van Jezus moet in ons lichaam openbaar worden.
Voortdurend wordt ons leven aan de dood uitgeleverd om Jezus' wil, opdat ook het leven van Jezus zich zou openba­ren in ons sterfelijk bestaan.
Zo verricht de dood zijn werk in ons en het leven in u.
Maar wij bezitten die geest van geloof waarvan de Schrift zegt: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Ook wij geloven en daarom spreken wij.
Want wij weten, dat Hij die de Heer Jezus van de doden heeft opgewekt, ook ons evenals Jezus ten leven zal wekken, om ons tot zich te voeren, samen met u.
Want alles gebeurt voor u: de genade moet zich in velen verme­nigvuldigen, zodat steeds meer mensen dank brengen aan God, tot eer van zijn naam.


Psalmen 126(125),1-2ab.2cd-3.4-5.6.
De Heer bracht Sions ballingen terug,
het was alsof wij droomden.
Toen lachten alle monden
en juichte elk tong.

Toen zei men bij de volken:
geweldig is het wat de Heer hen deed.
Geweldig was het wat de Heer ons deed,
daarom zijn wij zo blij.

Keer nu ons lot ten goede, Heer,
zoals een beek doet in de Zuid-woestijn.
Die onder tranen zaaien
zij oogsten met gejuich.

Vol zorgen gaan zij uit
met zaaizakken beladen;
maar keren zingend weer
beladen met hun schoven.



Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 20,20-28.
In die tijd trad de moeder van de zonen van Zebedeus samen met hen op Jezus toe en wierp zich voor zijn voeten om Hem iets te vragen.
Hij sprak tot haar: 'Wat verlangt ge?' Zij antwoordde Hem: 'Laat deze twee jongens van mij in uw Koninkrijk zitten, een aan uw rechter ‑ en een aan uw linkerhand.'
Maar Jezus antwoordde: 'Gij weet niet wat ge vraagt. Zijt gij in staat de beker te drinken die Ik ga drinken?' Zij zeiden hem: 'Ja, dat kunnen wij.'
Hij sprak: 'Inder­daad, mijn beker zult gij drinken, maar het is niet aan Mij u te doen zitten aan mijn rechter ‑ of linkerhand, omdat alleen zij dit verkrijgen voor wie mijn Vader dit heeft bereid.'
Toen de tien anderen dit hoorden, werden zij kwaad op de beide broers.
Jezus echter riep hen bij zich en sprak: 'Gij weet, dat de heersers der volkeren hen met ijzeren vuist regeren en dat de groten misbruik maken van hun macht over hen.
Dit mag bij u niet het geval zijn; wie onder u groot wil worden, moet dienaar van u zijn,
en wie onder u de eerste wil zijn, moet slaaf van u wezen,
zo­als ook de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.'






 
©Evangelizo.org 2001-2018