"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 
Zondag, 29 Juli 2018
ZEVENTIENDE ZONDAG DOOR HET JAAR



Uit het 2e boek der Koningen 4,42-44.
In die dagen kwam er iemand uit Baäl-Salisa Elisa opzoeken. Hij bracht twintig gerstebroden
voor de godsman mee, gebakken van meel uit de nieuwe oogst, en een zakje vers graan.
Elisa droeg zijn bediende op dit als maal aan de profeten voor te zetten.
Toen de bediende protesteerde dat het beslist niet genoeg was voor honderd personen,
zei Elisa nogmaals: ‘Zet het de profeten voor, ze zullen er een maaltijd aan hebben.
Want dit zegt de Heer: Ze zullen ervan eten en nog overhouden ook.’
Toen zette zijn bediende het de profeten voor, en zij aten ervan
en hielden nog over, zoals de Heer had gezegd.


Psalmen 145(144),10-11.15-16.17-18.
Uw werken zullen U prijzen, Heer,
uw vromen zullen U loven.
Zij roemen de glorie van uw heerschappij,
uw macht verkondigen zij.

De ogen van allen zien hoopvol naar U
Gij geeft hun te rechter tijd spijs
Gij opent uw handen voor alles wat leeft,
voldoet aan al hun verlangens.

De Heer is rechtvaardig op al zijn wegen,
en heilig in al wat Hij doet.
Nabij is de Heer voor elk die Hem aanroept,
voor elk die oprecht tot Hem bidt.



Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Efeze 4,1-6.
Broeders en zusters, ik, de gevangene in de Heer, vraag u met aandrang:
leidt een leven dat beantwoordt aan de roeping die gij van God ontvangen hebt,
in alle deemoed en zachtheid, in lankmoedigheid, liefdevol elkaar verdragend.
Beijvert u de eenheid des Geestes te behouden door de band van de vrede:
een lichaam en een Geest, zoals gij ook geroe­pen zijt tot een en dezelfde hoop
waarvoor Gods roeping borg staat.
Eén Heer, één geloof, één doop.
Eén God en Vader van allen, die is boven allen en met allen en in allen.


Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes 6,1-15.
In die dagen begaf Jezus zich naar de overkant van het meer van Galilea, bij Tiberias.
Een grote menigte volgde Hem, omdat zij de tekenen zagen die Hij aan de zieken deed.
Jezus ging de berg op en zette zich daar met zijn leerlin­gen neer.
Het was kort voor Pasen, het feest van de Joden.
Toen Jezus zijn ogen opsloeg en zag dat er een grote menigte naar Hem toekwam, vroeg Hij aan Filippus: 'Hoe moeten wij brood kopen om deze mensen te laten eten?'
‑ Dit zeide Hij om hem op de proef te stellen, want zelf wist Hij wel wat Hij ging doen. ‑
Filippus antwoordde Hem: 'Wil ieder ook maar een klein stukje krijgen, dan is voor tweehonderd denarien brood nog te weinig.'
Een van zijn leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, merkte op:
'Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen, maar wat betekent dat voor zo'n aantal?'
Jezus echter zei: 'Laat de mensen gaan zitten.' Er was daar namelijk veel gras. Zij gingen dan zitten; het aantal mannen bedroeg ongeveer vijfduizend.
Toen nam Jezus de broden en na het dankgebed gesproken te hebben, liet Hij ze uitdelen onder de mensen die daar zaten, alsmede de vissen, zoveel men maar wilde.
Toen ze verzadigd waren zei Hij tot zijn leerlingen: 'Haalt nu de overgebleven brokken op om niets verloren te laten gaan.'
Zij haalden ze op en vulden van de vijf gerstebroden twaalf manden met brokken, welke door de mensen na het eten overgelaten waren.
Toen de mensen het teken zagen dat Hij gedaan had, zeiden ze: 'Dit is stellig de profeet die in de wereld moet komen.'
Daar Jezus begreep, dat zij zich van Hem meester wilden maken om Hem mee te voeren en tot koning uit te roepen, trok Hij zich weer in het gebergte terug, geheel alleen.






 
©Evangelizo.org 2001-2018