"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 
Vrijdag, 03 Augustus 2018
Vrijdag in week 17 door het jaar



Uit profeet Jeremia 26,1-9.
In het begin van de regering van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, kwam dit woord van de Heer tot Jeremia:
Dit zegt de Heer: Ga naar de tempel van de Heer en zeg in de voorhof tot hen die uit de steden van Juda naar de tempel komen om Hem te aanbidden alles wat Ik u opdraag, zonder een woord weg te laten.
Misschien luisteren zij en komen ze tot inkeer, zodat Ik spijt krijg over de rampen die Ik tegen hen om hun zondig leven beraamde.
Zeg daarom tot hen: Dit zegt de Heer: Als ge niet naar Mij luistert en niet leeft volgens de wet die Ik u heb gegeven.
als ge niet luistert naar mijn dienaars, de profeten die Ik telkens weer, maar vergeefs, naar u zend,
dan doe Ik met dit huis hetzelfde als Ik met Silo gedaan heb en deze stad maak Ik tot een vloek bij alle volken op aarde.
De priesters, de profeten en alle aanwezigen hoorden de rede die Jeremia in de tempel hield.
Nauwelijks had Jeremia de rede die hij in opdracht van de Heer voor alle aanwezigen hield beëindigd, of de priesters, de profeten en alle aanwezigen grepen hem vast en schreeuwden: 'Sterven zul je!
Hoe durf je als profeet van de Heer te zeggen: Deze tempel zal het vergaan als de tempel van Silo en deze stad wordt een puinhoop, zonder bewoners.' En allen stormden tegelijk op Jeremia af in de tempel van de Heer.


Psalmen 69(68),5.8-10.14.
Zo talrijk als haar op mijn hoofd
zijn zij die mij zonder grond haten.
Zij die mij kwellen zijn machtig,
zij eisen onrecht van mij.
Zou ik terug moeten geven
wat ik nooit heb geroofd?

Om U heb ik iedere smaad verdragen,
al steeg mij het schaamrood naar het gelaat.
Een vreemdeling werd ik voor mijn verwanten,
mijn eigen broers kennen mij niet meer.
De zorg voor uw huis heeft mij uitgeteerd,
op mij kwam de hoon neer van hen die U honen.

Maar mijn gebed, Heer, richt ik tot U,
nu is het de tijd van genade.
Verhoor mij omdat Gij barmhartig zijt
en trouw in het hulp verlenen.




Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 13,54-58.
In die tijd begaf Jezus zich naar zijn vader­stad en onderwees hen in hun synago­ge, zodat ze verbaasd zeiden: 'Waar heeft Hij die wijsheid vandaan en de macht om wonderen te doen?
Is Hij niet de zoon van de timmerman? Heet zijn moeder niet Maria en zijn broeders Jakobus, Jozef, Simon en Judas?
Wonen zijn zusters niet allen bij ons? Waar heeft Hij dat alles van­daan?'
En zij namen er aanstoot aan. Maar Jezus sprak tot hen: 'Een profeet wordt overal geëerd behalve in zijn eigen stad en in zijn eigen kring.'
En wegens hun ongeloof deed Hij daar niet veel wonderen.






 
©Evangelizo.org 2001-2018