"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 
Zaterdag, 04 Augustus 2018
Zaterdag in week 17 door het jaar



Uit profeet Jeremia 26,11-16.24.
In die dagen zeiden de priesters en de profeten tot de edelen en tot alle aanwezigen: 'Deze man is de dood schuldig. Hij heeft tegen deze stad geprofeteerd; u hebt het zelf gehoord.'
Maar Jeremia zei tot de edelen en tot alle aanwezigen: 'Alle bedreigingen tegen deze tempel en tegen deze stad die u hebt gehoord, heb ik uitgesproken in opdracht van de Heer.
Beter dus uw leven, luister naar de Heer uw God. Misschien krijgt Hij dan spijt over het onheil waarmee Hij u heeft bedreigd.
Met mij kunt u natuurlijk doen wat u wilt: ik ben in uw macht.
Maar als u mij doodt, moet u wel weten dat u onschuldig bloed brengt over uzelf, over deze stad en over haar inwoners, want het is in opdracht van de Heer, dat ik dit alles verkondig.'
Daarop zeiden de edelen en alle aanwezigen tot de priesters en de profeten: 'Deze man is de dood niet schuldig. Hij heeft tot ons gesproken namens de Heer.'
Het was vooral aan Achikam, zoon van Safan, te danken, dat Jeremia niet in handen viel van het gepeupel dat hem wilde doden.


Psalmen 69(68),1.15-16.30-31.33-34.
Mij gebed richt ik tot U nu is het de tijd van genade.

Red mij uit de modderpoel waarin ik verzink
bevrijd mij van hen die mij haten.
Geef dat ik niet in de diepte verdrink,
Niet meegevoerd word door de stroom.
Zorg dat de afgrond mij niet verslindt,
de mond van de put niet boven mij dichtslaat.

Ik ga gebogen onder mijn smart;
God, laat; uw hulp mij beschermen.
God Naam zal ik loven in mijn gezang,
Hem dankbaar overal prijzen.

Ziet toe, geringen, en weest verheugd,
schept moed gij allen die God zoekt
God luistert naar wat een arme Hem vraagt,
vergeet zijn gevangenen niet




Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 14,1-12.
In die tijd begon Jezus' vermaardheid tot de viervorst Herodes door te dringen,
en hij zei daarom tot zijn hovelin­gen: 'Dat moet Johannes de Doper zijn; hij is uit de doden opgestaan; vandaar dat die wonderkrachten in hem werken.'
Want omwille van Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, had Herodes Johannes laten grijpen en geboeid in de gevangenis geworpen,
omdat hij tot hem gezegd had: 'Het is u niet geoorloofd haar als vrouw te hebben.'
Daarom had Herodes hem eigenlijk ter dood willen brengen, waar hij was hiervoor teruggeschrokken omdat het volk hem voor een profeet hield.
Toen de dochter van Herodes echter op de verjaardag van Herodes voor het gezelschap danste, beviel zij hem
zo zeer dat hij een eed zwoer haar alles te zullen geven wat zij zou vragen.
Haar moeder had haar het antwoord inge­scherpt en daarom zei ze: 'Geef mij, hier nog, op een schotel het hoofd van Johannes de Doper.'
Ofschoon dit de koning aan zijn hart ging wilde hij toch, ook wegens zijn tafelge­noten, zijn eed gestand doen en hij gelastte het te geven.
Hij gaf daarom opdracht Johan­nes in de gevangenis te onthoofden.
Zijn hoofd werd op een schotel binnen­gebracht.
Zijn leerlingen kwamen het lijk halen en begroeven het; daarna gingen zij het aan Jezus melden.






 
©Evangelizo.org 2001-2018