"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 
Dinsdag, 14 Augustus 2018
Dinsdag in week 19 door het jaar



Uit de profeet Ezechiël 2,8-10.3,1-4.
Zo speekt de Heer: Gij Mensenkind, luister naar wat Ik u zeg, wees niet weerspannig zoals dit weerspannige volk, maar doe uw mond open en eet wat Ik u geef.'
Ik keek op en zag een hand die zich naar mij uitstrekte en in die hand zag Ik een boekrol.
Hij rolde ze voor mij af; ze was beschreven van binnen en van buiten; er stonden klaagliederen op, treurzangen en weeklachten.
Hij zei tot mij: 'Mensenkind, eet wat u voorgehouden wordt, eet deze boekrol op en richt dan het woord tot het volk van Israël.'
Toen opende ik mijn mond en Hij gaf me die boekrol te eten.
Hij zei tot mij: 'Mensenkind, laat uw lichaam deze boekrol die Ik u geef opnemen en verzadig u ermee. Ik at dus de boekrol op: ze smaakte me zo zoet als honing.
Hij zei tot mij: 'Mensenkind, begeef u naar het volk van Israël en breng hun mijn woorden over.


Psalmen 119(118),14.24.72.103.111.131.
Mijn vreugde vind ik in wat Gij verordent,
dat is mijn rijkste bezit.
Ik neem uw verordeningen ter harte,
zij geven mij goede raad.

De wet uit uw mond is mij meer waard
dan schatten van zilver en goud.
Hoe heerlijk smaken mij uw beloften
Als honing zijn zij in mijn mond;

Mijn erfdeel is altijd wat Gij verordent,
dat is de vreugd van mijn hart;
Mijn mond sper ik hijgend open
Zo hunker ik naar uw geboden.



Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 18,1-5.10.12-14.
In die tijd richtten de leerlingen tot Jezus met de vraag:
'Wie is nu wel de grootste in het Rijk der hemelen?'
Hij riep een klein kind, zette het in hun midden en zei:
'Voorwaar, Ik zeg u: als gij niet opnieuw wordt als de kleine kinderen,
zult gij het Rijk der Hemelen zeker niet binnengaan.
Wie dus zichzelf gering acht zoals dit kind is de grootste in het Rijk der hemelen.
En wie in mijn Naam zulk een kind opneemt, neemt Mij op.
Hoedt u er voor een van deze kleinen te minachten, want Ik zeg u:
zij hebben engelen in de hemel en deze aanschouwen voortdurend
het aangezicht van mijn Vader die in de hemel is.
Wat dunkt u? Wanneer een man honderd schapen heeft en een daarvan verdwaalt, zal hij dan niet de negenennegentig in de bergen alleen laten om op zoek te gaan naar het verdwaal­de?
En gelukt het hem dat te vinden, voorwaar Ik zeg u, dan zal hij over dat ene meer verheugd zijn dan over de negenennegentig die niet verdwaald waren.
Zo ook wil uw hemelse Vader niet dan een van deze kleinen verloren gaat.






 
©Evangelizo.org 2001-2018