"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 
Zaterdag, 18 Augustus 2018
Zaterdag in week 19 door het jaar



Uit de profeet Ezechiƫl 18,1-10.13b.30-32.
Het woord van de Heer werd tot mij gericht:
Hoe komt ge erbij, op de toestand van Israƫl dit spreekwoord toe te passen: De vaders hebben zure druiven gegeten en de tanden van de kinderen zijn er stroef van?
Zo waar Ik leef, spreekt God de Heer, geen Israƫliet zal dit spreekwoord nog ooit mogen gebruiken.
Alle mensen zijn voor Mij gelijk; in mijn ogen heeft de persoon van de vader niets voor op die van de zoon; alleen degene die zondigt zal sterven.
Als iemand een rechtvaardige is en handelt naar wet en recht,
geen offermaal houdt op de bergen en zijn ogen niet opslaat naar de afgoden van het volk van Israƫl, andermans vrouw niet onteert en geen gemeenschap heeft met een vrouw in haar stonden,
niemand verdrukt, aan de schuldenaar het onderpand teruggeeft en zich andermans goed niet toeƫigent, zijn voedsel met de hongerige deelt en de naakte kleding verschaft,
niet uitleent tegen rente, geen woekerwinst neemt, zich van onrecht onthoudt en een eerlijk vonnis velt tussen twee partijen,
naar mijn voorschriften leeft en nauwgezet mijn geboden onderhoudt: dan blijft deze rechtvaardige in leven, luidt de godsspraak van God de Heer.
Krijgt hij nu een onverlaat van een zoon, die bloed vergiet en deze dingen
uitleent tegen rente en woekerwinst neemt: zou die zoon dan in leven blijven? Neen, vanwege al die gruweldaden zal hij zeker sterven en zal zijn bloed op hem neerkomen.
Daarom zal Ik ieder van u naar zijn daden oordelen, volk van Israƫl, luidt de godsspraak van de Heer. Bekeer u, wend u af van al uw wandaden; anders worden ze u noodlottig.
Breek met al de wandaden die ge bedreven hebt; vernieuw uw hart en uw geest, want waarom zoudt ge sterven, volk van Israƫl?
Ik schep geen behagen in de dood van de gestorvene, luidt de godsspraak van de Heer. Bekeer u dus en blijf in leven!


Psalmen 51(50),12-13.14-15.18-19.
Schep in mij een zuiver hart, mijn God,
geef mij weer een vastberaden geest.
Wil mij niet verstoten van uw Aanschijn,
neem uw heilige Geest niet van mij weg.

Geef mij weer de weelde van uw zegen,
maak mij sterk in edelmoedigheid.
Dan zal ik de dwalenden uw wegen leren kennen,
alle schuldigen terugvoeren tot U.

In geschenken hebt Gij geen behagen,
wat ik U ook bied, Gij wilt het niet.
Wat ik offer, God, is mijn boetvaardigheid,
een vermorzeld en vernederd hart wijst Gij niet af.



Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens MatteĆ¼s 19,13-15.
In die tijd werden er kleine kinderen bij Jezus gebracht, opdat Hij hun handen zou opleggen en een gebed over hen spreken. Maar bars wezen de leerlingen ze af.
Jezus echter zeide: 'Laat die kinderen toch begaan en verhindert ze niet bij Mij te komen. Want aan hen die zijn zoals zij, behoort het Rijk der hemelen.'
En nadat Hij hun de handen had opgelegd, vertrok Hij vanĀ­daar.






 
©Evangelizo.org 2001-2018