"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 
Woensdag, 05 September 2018
Woensdag in week 22 door het jaar



Uit de 1e brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte 3,1-9.
Broeders en zusters, het was mij destijds niet mogelijk, tot u te spreken
als waart gij reeds geestelijk en niet langer vleselijk. In Christus waart gij nog zo jong!
Melk moest ik u geven, geen vaste spijs; die kondt gij nog niet verdragen.
Zelfs nu kunt gij het niet, want gij laat u nog altijd leiden door zelfzucht. Of is het
geen uiting van egoisme en kleinmen­selijk gedrag, dat er onder u naijver en twist voorkomt?
Als de een zegt: 'Ik ben voor Paulus,' en de ander: 'Ik voor Apollos,' zijt gij dan niet al te mense­lijk?
Wat zijn Apollos en Paulus eigenlijk? Niet meer dan ondergeschikten, die behulpzaam waren bij uw beke­ring,
en wel ieder van ons op zijn eigen manier, zoals de Heer het ons vergund heeft:
ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God gaf de groei.
Noch hij die plant betekent iets, noch hij die begiet, maar alleen God, die de wasdom geeft.
Die plant en die begiet staan op een lijn, al ontvangt wel ieder loon naar eigen arbeid.
Wij zijn Gods medewerkers, gij zijt Gods akker, Gods bouwwerk.


Psalmen 33(32),12-13.14-15.20-21.
Gelukkig het volk dat de Heer als zijn God heeft,
de natie die Hij verkoos als de zijne.
Uit de hemel ziet de Heer omlaag
en slaat Hij de sterveling gade.

Vanaf zijn troon houdt Hij het oog
op allen die de aarde bewonen.
Hij die de harten van allen vormt,
Hij doorziet al hun daden.

Daarom vertrouwt ons hart op de Heer,
is Hij ons een schild en een helper.
Ja, om Hem is ons hart verblijd,
op zijn heilige Naam vertrouwen wij.



Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas 4,38-44.
In die tijd verliet Jezus de synagoge van Kafarnaüm en ging het huis van Simon binnen. Omdat de schoonmoeder van Simon hoge koorts had, riepen ze voor haar zijn hulp in.
Hij kwam aan het hoofdeinde van haar bed staan en gaf een streng bevel aan de koorts. Zij werd ervan bevrijd en ogenblikke­lijk stond zij op en bediende hen.
Bij zonsondergang brachten allen die zieken hadden, lijdend aan velerlei kwalen, dezen naar Hem toe. Hij genas hen door ze een voor een de handen op te leggen.
Uit velen gingen ook duivels weg, die schreeuwden: 'Gij zijn de Zoon van God.' Hij gaf een streng bevel en liet niet toe dat zij spraken, want zij wisten dat Hij de Messias was.
Toen het dag geworden was, ging Hij naar buiten en begaf zich naar een eenzame plaats. De mensen zochten Hem echter, kwamen waar Hij was en poogden Hem vast te houden om te verhinderen dat Hij hen zou verlaten.
Maar Hij sprak tot hen: 'Ik moet ook aan andere steden de Blijde Bood­schap van het Godsrijk brengen, want daarvoor ben Ik gezonden.'
En hij predikte in de synagogen van het joodse land.






 
©Evangelizo.org 2001-2018