"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 
Zondag, 16 September 2018
VIERDE-EN-TWINTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR



Uit profeet Jesaja 50,5-9a.
God, de Heer, heeft mijn oren geopend en ik heb geen verzet geboden, ik ben niet teruggedeinsd.
Ik heb mijn rug blootgesteld aan mijn folteraars,
wie mij de baard uittrokken, bood ik mijn wangen aan.
Ik heb mijn gezicht niet verborgen toen ze mij beschimpten en bespuwden.
God, de Heer, zal mij helpen, daarom word ik niet gekwetst
en is mijn gezicht zo onbewogen als een rots,
want ik weet dat ik niet beschaamd zal staan.
Hij die mij recht verschaft is nabij. Wie durft tegen mij een geding aan te spannen?
Laten we samen voor het gerecht verschijnen.
Wie is mijn tegenstander in deze zaak? Laat hij mij tegemoet treden.
God, de Heer, zal mij helpen – wie zal mij dan veroordelen?


Psalmen 116(114),1-2.3-4.5-6.8-9.
De Heer heb ik lief, Hij hoort
mijn stem, mijn smeken,
Hij luistert naar mij,
ik roep Hem aan, mijn leven lang.

Banden van de dood omknelden mij,
angsten van het dodenrijk grepen mij aan,
ik voelde angst en pijn.
Toen riep ik de naam van de Heer:
‘Heer, red toch mijn leven!’

De Heer is genadig en rechtvaardig,
onze God is een God van ontferming.
De Heer beschermt de eenvoudigen,
machteloos was ik en Hij heeft mij bevrijd.

Ja, U hebt mijn leven ontrukt aan de dood,
mijn ogen gedroogd van tranen,
mijn voeten voor struikelen behoed.
Ik mag wandelen in het land van de levenden
onder het oog van de Heer.




Uit de brief van de heilige apostel Jacobus 2,14-18.
Broeders en zusters, wat baat het een mens te beweren dat hij geloof heeft,
als hij geen daden kan laten zien? Kan zo'n geloof hem soms redden.
Stel dat een broeder of zuster geen kleren heeft en niets om te eten,
en iemand van u zou zeggen: 'Geluk ermee! Houd u warm en eet maar goed',
en hij zou niets doen om in hun stoffelijke nood te voorzien wat heeft dat voor zin?
Zo is ook het geloof, op zichzelf genomen, zonder zich in daden te uiten, dood.
Misschien zal iemand zeggen: 'Gij hebt de daad en ik heb het geloof.'
Dan antwoord ik: 'Bewijs me eerst dat ge geloof hebt, als ge geen daden kunt tonen;
dan zal ik u uit mijn daden mijn geloof bewijzen.'


Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus 8,27-35.
In die tijd trok Jezus met zijn leerlingen naar de dorpen rond Caesarea van Filippus.
Onderweg stelde Hij aan zijn leerlingen de vraag: 'Wie zeggen de mensen dat Ik ben?'
Zij antwoordden Hem: 'Johannes de Doper, anderen zeggen Elia
en weer anderen, dat Gij een van de profeten zijt.'
Daarop stelde Hij hun de vraag: 'Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?'
Petrus ant­woordde: 'Gij zijt de Christus.'
Maar Hij verbood hun nadrukkelijk iemand hierover te spreken.
Daarop begon Hij hun te leren, dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden
en door de oudsten, de hogepriesters en de schrift­geleerden verworpen worden
en ter dood gebracht, maar drie dagen later verrijzen.
Hij sprak deze woorden zonder terughou­dendheid.
Toen nam Petrus Jezus terzijde en begon Hem ernstig daarover te onderhouden.
Maar zich omkerend keek Hij naar zijn leerlingen en voegde Petrus op strenge toon toe:
'Ga weg, satan, terug! want gij laat u leiden door menselijke overwe­gingen
en niet door wat God wil.'
Nadat Hij behalve zijn leerlingen ook het volk bij zich had laten komen,
sprak Hij tot hen: 'Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen
door zichzelf te verloo­chenen en zijn kruis op te nemen.
Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen.
Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evange­lie, zal het redden.






 
©Evangelizo.org 2001-2018