"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 
Maandag, 17 September 2018
Maandag in week 24 door het jaar



Uit de 1e brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte 11,17-26.33.
Nu ik bezig ben voor­schriften te geven. moet ik er tevens mijn afkeuring over uitspreken, dat gij uw bijeen­komsten houdt op een wijze die u meer kwaad dan goed doet.
Om te beginnen hoor ik dat zich op de samenkom­sten van uw gemeente partijschappen manifesteren en ik ben geneigd het te geloven:
onenigheden zijn nu eenmaal onvermijde­lijk, als moet blijken wie van uw leden betrouwbaar zijn.
Zoals gij nu samenkomt, kan er geen sprake zijn van `de maaltijd des Heren',
Want ieder nuttigt bij het eten zijn eigen maaltijd, met het gevolg dat sommigen honger lijden en anderen dronken zijn.
Gij hebt toch huizen om te eten en te drinken? Of minacht gij de gemeente Gods en wilt gij hen die niets hebben beschaamd maken? Wat moet ik hierop zeggen? Kan ik u prijzen? Op dit punt zeker niet.
Zelf heb ik immers van de Heer de overlevering ontvangen die ik u op mijn beurt heb doorgegeven, dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij werd overgeleverd, brood nam,
en na gedankt te hebben, het brak en zei: 'Dit is mijn lichaam voor u. Doet dit tot mijn gedachtenis.'
Zo ook nam Hij na de maaltijd de beker met de woorden: 'Deze beker is het nieuwe verbond
in mijn bloed. Doet dit elke keer dat gij hem drinkt tot mijn gedachtenis.'
Telkens als gij dit brood eet en de beker drinkt, verkon­digt gij de dood des Heren, totdat Hij wederkomt.
Daarom, broeders, wanneer gij samenkomt voor de maaltijd, wacht op elkaar.


Psalmen 40(39),7-8a.8b-9.10.17.
Gij hebt geen offer of geschenk gewild,
Gij hebt mijn oor geopend;
Gij vraagt geen brandoffer, geen zoenoffer van mij,
dus zei ik: 'Ja, ik kom!'

Want in de boekrol staat van mij geschreven
dat ik uw wil volbreng.
Mijn God, dat is het wat ik wil,
uw wet staat in mijn hart geschreven.

Aan velen heb ik uw rechtvaardigheid bekendgemaakt,
ik hield mijn lippen niet gesloten, Heer, Gij weet het.
Nooit heb ik uw rechtvaardigheid verborgen in mijn hart,
Laat jubelen van blijdschap die U zoeken

en steeds getuigen: 'Groot is God!' ,
die uitzien naar uw heil.


Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas 7,1-10.
Na afloop van zijn onderricht aan het luisterende volk, ging Hij naar Kafarnaum.
Daar was een honderdman die een knecht had aan wie hem veel gelegen was; deze was ziek en lag op sterven.
Omdat de honderdman van Jezus hoorde, zond hij enkele oudsten van de Joden naar Hem toe met het verzoek zijn knecht te komen genezen.
Bij Jezus gekomen riepen zij met aandrang zijn hulp in. Ze zeiden: 'Hij verdient, dat Gij hem deze gunst bewijst,
want hij houdt van ons volk en heeft op eigen kosten de synagoge voor ons gebouwd.'
Daarop ging Jezus met hen mee. Maar toen Hij niet ver meer van het huis was, liet de honderdman
Hem door vrienden zeggen: 'Heer, doe geen verdere moeite; ik ben niet waard dat Gij onder mijn dak komt.
Daarom meende ik ook er geen aanspraak op te mogen maken persoonlijk naar U toe te komen. Maar een woord van U is voldoende om mijn knecht te doen genezen.
Want al ben ik zelf een ondergeschikte, ik heb weer manschappen onder mij; en tot de een zeg ik: ga, en hij gaat; en tot een ander: kom, en hij komt; en aan mijn knecht: doe dit, en hij doet het.'
Toen Jezus dit hoorde, stond Hij verwonderd over hem. Hij keerde zich om en zei tot het volk dat Hem volgde: 'Ik zeg u: zelfs in Israel heb Ik zo'n groot geloof niet gevonden.'
Toen de mensen die gestuurd waren, in het huis terugkeerden, vonden zij de knecht weer gezond.






 
©Evangelizo.org 2001-2018