"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 
Maandag, 01 Oktober 2018
Maandag in week 26 door het jaar



Uit het boek Job 1,6-22.
Het gebeurde nu op zekere dag, dat de zonen Gods voor Jahweh verschenen, en dat ook de satan zich in hun midden bevond.
En Jahweh sprak tot satan: Waar komt ge vandaan? Satan gaf Jahweh ten antwoord: Van een zwerfen speurtocht over de aarde.
Jahweh vroeg Satan: Hebt ge daarbij gelet op mijn dienaar Job, en hoe er op aarde zijns gelijke niet is: geen zo onberispelijk en rechtschapen, geen die God vreest en het kwaad schuwt, als hij?
Maar satan gaf Jahweh ten antwoord: Is Job soms godvrezend om niet?
Hebt Gij hem, zijn gezin en al wat hij heeft, niet van alle kant met een haag omringd; hebt Gij het werk zijner handen niet gezegend, en overstroomt niet zijn kudde het land?
Maar strek uw hand eens tegen hem uit, en tast hem eens aan in wat hij bezit: dan vloekt hij U in het aangezicht!
Daarop sprak Jahweh tot satan: Ge moogt doen wat ge wilt met heel zijn bezit; maar hemzelf raakt ge met de hand niet aan! Zo ging satan van Jahweh heen.
Toen nu enige tijd later de zonen en dochters van Job in het huis van hun oudsten broer zaten te eten en wijn te drinken,
kwam hem een bode berichten: De Sjabeërs hebben een inval gedaan, terwijl uw ossen aan het ploegen waren, en de ezelinnen vlak bij hen graasden;
zij hebben ze weggeroofd en uw knechten over de kling gejaagd; ik alleen ben ontsnapt, en kom het u melden!
Nog was hij niet uitgesproken, of een tweede kwam binnen en riep: De bliksem is uit de hemel geslagen, en heeft uw kudde met de herders verbrand en verteerd; ik alleen ben ontsnapt, en kom het u melden!
Nog was deze niet uitgesproken, of een derde kwam binnen en riep: De Chaldeën, in drie benden gesplitst, hebben zich op uw kamelen geworpen, ze weggeroofd, en uw knechten over de kling gejaagd; ik alleen ben ontsnapt, en kom het u melden!
En nog was hij niet uitgesproken, of weer een ander kwam binnen en riep: Terwijl uw zonen en dochters zaten te eten en wijn te drinken in het huis van hun oudsten broer,
stak er eensklaps een geweldige storm op uit de richting van de woestijn, die het huis aan al de vier hoeken deed schudden; het stortte boven de kinderen in, en zij stierven; ik alleen ben ontsnapt, en kom het u melden!
Toen stond Job op en scheurde zijn kleed; hij schoor zijn hoofd en wierp zich plat ter aarde neer.
Maar hij sprak: Naakt kwam ik uit de schoot van mijn moeder; Naakt keer ik er terug! Het was Jahweh, die gaf; het was Jahweh, die nam: De Naam van Jahweh zij gezegend!
Dus ondanks dit alles heeft Job niet gezondigd, en geen onvertogen woord tot God gericht.


Psalmen 17(16),1.2-3.6-7.
Luister, Heer, want mijn zaak is rechtvaardig,
let op mij luid geroep.
Wil mijn gebed aanhoren;
mijn lippen bedriegen U niet.

Van uw aanschijn gaat mijn oordeel uit,
uw ogen zien scherp;
Gij peilt mijn hart, doorzoekt het des nachts,
beproeft mij: maar iets verkeerds vindt Gij niet.

Nu roep ik U aan, want Gij zult mij verhoren,
Wend dus uw oor naar mij, hoor naar mijn stem.
toon mij de wonderen van uw trouw.
Redder van ieder die vlucht in uw hand.



Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas 9,46-50.
In die tijd kregen de leerlingen woorden over de vraag, wie van hen wel de grootste was.
Maar Jezus die wist wat zij dachten, nam een kind, zette het naast zich
en sprak tot hen: 'Wie dit kind opneemt in mijn Naam, neemt Mij op, en wie Mij opneemt,
neemt Hem op die Mij gezonden heeft. Wie dus de kleinste is onder u allen, die is de grootste.'
Nu nam Johannes het woord en zei: 'Meester, we hebben iemand in uw Naam
duivels zien uitdrijven en we hebben getracht het hem te beletten,
omdat hij niet een van uw volgelingen is, zoals wij.'
Maar Jezus zei tot hem: 'Belet het hem niet; want wie niet tegen u is, is voor u.'






 
©Evangelizo.org 2001-2018