"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68






























 
Maandag, 08 Oktober 2018
Maandag in week 27 door het jaar



Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de Galaten 1,6-12.
Broeders en zusters, ik sta verbaasd dat gij zo spoedig afvalt van Hem die u riep tot de genade naar een ander evangelie;
maar er is geen ander, er zijn alleen maar lieden die u verontrusten en het evangelie van Christus willen perverteren.
Maar al zouden wijzelf of een engel uit de hemel een ander evange­lie verkondigen dan wij u verkondigd hebben: hij zij ver­vloekt!
Wat ik vroeger heb gezegd zeg ik nu opnieuw: als iemand u een ander evangelie verkondigt dan gij ontvangen hebt: hij zij vervloekt!
Tracht ik nu de mensen te winnen of God? Zoek is soms de gunst van de mensen?
Als ik nog de gunst van mensen zocht, zou ik geen dienaar van Christus zijn.
Ik verzeker u, broeders; het evangelie dat door mij is verkondigd is geen produkt van mensen.
Want ook ik heb het niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door een openbaring van Jezus Christus.


Psalmen 111(110),1-2.7-8.9.10c.
De Heer wil ik danken uit heel mijn hart,
te midden der vromen, voor heel de gemeente.
Geweldig is alles wat Hij verricht,
de aandacht boeiend van elk die het nagaat.

Het werk van zijn handen is goed en betrouwbaar
al wat Hij besluit staat onwrikbaar vast.
Het blijft door de eeuwen van kracht,
het is doordacht en rechtvaardig.

Hij heeft zijn volk verlossing gebracht,
voor eeuwig met hen zijn verbond gesloten;
heilig en hooggeëerd is zijn Naam,
in eeuwigheid moet men Hem loven.



Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas 10,25-37.
In die tijd trad een wetgeleer­de naar voren om Jezus op de proef te stellen.
Hij zei: 'Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwer­ven?'
Hij sprak tot hem: 'Wat staat er geschreven in de Wet? Wat leest ge daar?'
Hij gaf ten antwoord: 'Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart en geheel uw ziel, met al uw krachten en geheel uw verstand; en uw naaste gelijk uzelf.'
Jezus zei: 'Uw antwoord is juist, doe dat en ge zult leven.'
Maar omdat hij zijn vraag wilde verantwoor­den, sprak hij tot Jezus: 'En wie is dan mijn naaste?'
Nu nam Jezus weer het woord en zei: 'Eens viel iemand, die op weg was van Jeruzalem naar Jericho, in de handen van rovers. Ze plunderden en mishandelden hem en toen ze aftrokken, lieten ze hem half dood liggen.
Bij toeval kwam er juist een priester langs die weg; hij zag hem wel, maar liep in een boog om hem heen.
Zo deed ook een leviet; hij kwam daar langs, zag hem, maar liep in een boog om hem heen.
Toen kwam een Samaritaan die op reis was, bij hem; hij zag hem en kreeg medelijden;
hij trad op hem toe, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze; daarna tilde hij hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en zorgde voor hem.
De volgende morgen haalde hij twee denarien te voorschijn, gaf ze aan de waard en zei: Zorg goed voor hem, en wat ge meer mocht besteden, zal ik u bij mijn terugkomst vergoede.
Wie van deze drie lijkt u de naaste van de man die in handen van de rovers gevallen is?'
Hij antwoordde: 'Die hem barmhartigheid betoond heeft.' En Jezus sprak: 'Ga dan en doet gij evenzo.'






 
©Evangelizo.org 2001-2018